Onderzoek

onderzoekHoog sensitiviteit zou een hype zijn. Inmiddels is er echter ruim wetenschappelijk onderzoek voorhanden waaruit blijkt dat het wel degelijk echt bestaat. Hoog gevoeligheid is ook helemaal geen nieuw verschijnsel, sensitieve personen zijn er altijd geweest. Zelfs in de psychologie is het niet nieuw: de bekende psycholoog Carl Jung sprak al over gevoeligheid als persoonlijkheidskenmerk in zijn publicaties uit begin van de vorige eeuw.

Er zijn studies die aantonen dat er verschillen zijn tussen mensen in bv. gevoeligheid voor pijn, stoffen, medicijnen, koffie. Zo worden er ook neurologische verschillen gevonden die te maken hebben met dat soort verschillen in gevoeligheid. Ook is er aangetoond door hersenonderzoek dat de ene persoon meer aanleg heeft voor angst dan anderen. Gevoeligheid voor stress blijkt al voor de geboorte te ontstaan, en een gedeelte daarvan is erfelijk bepaald. Kortom, gevoeligheid is iets wat een natuurlijke variatie vertoont net als allerlei andere kenmerken en eigenschappen. Aangezien het verschijnsel zo breed voorkomt, moet het dus wel nuttig zijn in evolutionaire zin.

Definitie
Als we het hebben over sensitieve personen, dan gaat het om sensitiviteit ter aanduiding van het aangeboren aspect van het temperament dat tot uiting komt in de verfijnde waarneming van prikkels plus het vermogen om overspoeld te raken door een teveel aan prikkels. Dit is volgens de oorspronkelijke definitie van Elaine Aron, die tegenwoordig ook door de meeste andere wetenschappers en hulpverleners is overgenomen. Tegenwoordig wordt in de wetenschappelijke literatuur steeds vaker gesproken over SPS, sensory processing sensitivity, waarmee dezelfde eigenschap bedoelt wordt.

Geen nieuw verschijnsel
Voordat Elaine Aron in 1996 de term hoog sensitief introduceerde, waren er natuurlijk ook hsp’s*. De in de psychologie zeer bekende C.G. Jung had het in 1913 en 1921 al over het gevoelige persoonlijkheidstype. Het wordt aangetroffen bij zowel mensen als dieren (Sih en Bell, 2008; Wilson ea, 1993, Wolf ea, 2008). Afhankelijk van het onderwerp van onderzoek, werden verschillende termen gebruikt. In 1968 noemden Thomas ea het ‘komt traag op gang’, Chess en Thomas (1987) ‘lage zintuigelijke drempel’, Kagan (1994) ‘differentiële ontvankelijkheid’, Boyce (1995) ‘psychobiologische reactiviteit’, en Boyce en Ellis in 2005 ‘biologische sensitiviteit voor context’.

Ook in de praktijk van psychologie en psychotherapie kende men al gevoelige mensen. Ze werden en worden o.a. omschreven als (prikkel)gevoelige personen of mensen met een “introverte” of “verlegen” persoonlijkheid. De meest gebruikte term is toch wel introversie. Introversie en verlegenheid zijn echter maar gedeeltelijk aangeboren eigenschappen, ze hebben puur betrekking op emotionele gevoeligheid en hsp’s zijn juist ook gevoelig voor externe prikkels. Bovendien geldt voor lang niet alle hsp’s dat zij introvert en verlegen zijn, maar 70% van hsp’s is introvert. En niet alle introverte mensen zijn hsp! Mensen die dergelijke beschrijvingen kregen opgeplakt, vonden die niet goed bij hen passen. Ze vonden ze te negatief en maar gedeeltelijk kloppend. E. Aron heeft na gedegen wetenschappelijk onderzoek het verschijnsel in kaart gebracht en de term “highly sensitive person” geïntroduceerd (Aron en Aron, 1997). Deze term bleek door hsp’s zelf het meest passend ervaren te worden als beschrijving van hun persoonlijkheid.

Elaine Aron
Elaine Aron is een Amerikaanse wetenschapper (gepromoveerd) die onderzoek doet op het gebied van sociale psychologie aan de Stony Brook University (New York). De eerste onderzoeken werden v.n. gedaan door E. Aron zelf en haar onderzoeksgroep aan de University van California in Santa Cruz waar ze op dat moment doceerde. Daarnaast heeft zij ook een eigen praktijk voor psychotherapie waarin ze vooral veel hsp’s behandelt.

Uit haar ervaringen als psychotherapeut had ze het idee gekregen dat er toch een betere omschrijving te vinden moest zijn voor gevoeligheid bij mensen. Het begon puur als onderwerp voor wetenschappelijk onderzoek. Na een persbericht in een plaatselijke krant, begonnen steeds meer mensen haar te benaderen omdat ze meer wilde weten over dit onderwerp. Toen is ze begonnen met het schrijven van een populair wetenschappelijk boek over hoog sensitiviteit, het “higly sensitive persons’ in 1997. In 2002 kwam hiervan een Nederlandse vertaling op de markt. Sindsdien is het onderwerp door vele anderen omarmd en zijn vele boeken en artikelen geschreven. Ook in de wetenschap kwam navolging. Inmiddels wordt er door allerlei wetenschappers, niet alleen uit de psychologie, onderzoek gedaan op het gebied van hoog sensitiviteit.

Hsp-schaal
De term “highly sensitive person” is geïntroduceerd door E. Aron en de door haar zorgvuldig opgestelde lijst van kenmerken, bleek een goede schaal om te gebruiken als maat voor sensitiviteit. Deze zgn. hsp-schaal beschrijft het hele scala aan kenmerken dat bij sensitieve mensen wordt waargenomen, en wordt nu ook gebruikt door andere wetenschappers. De schaal is ontwikkeld op empirische wijze: De definitie, de eigenschappen en de vragenlijst werden getoetst onder studenten en ook vergeleken met bestaande indicatoren die ook aspecten van gevoeligheid maten. De test die ontwikkeld is, is gedegen en zodanig opgesteld dat invloeden van suggestieve vraagstelling, of verschillen in sekse en cultuur zo veel mogelijk zijn uitgesloten. Eenmaal uitontwikkeld, bleek de lijst een breed spectrum van items te bevatten waaraan direct ook opvalt dat gevoeligheid in allerlei aspecten van een persoon terugkomt. Hsp bleek er goed mee beschreven te worden, van gevoeligheid voor externe prikkels tot het intense gevoelsleven. Het is dus zeker niet zomaar even een lijstje van wat kenmerken op een rij!

De hsp schaal correleert significant met die voor sociale introversie maar vergelijking liet ook zien dat het om verschillende dingen gaat (Aron en Aron, 1997). Introversie gaat alleen over sensitiviteit van binnen. Externe sensitiviteit (voor prikkels van buiten), is voor hsp’s echter juist een belangrijk kenmerk. Ook beschrijft de introversie-schaal niet het bij hsp’s gebruikelijke positieve affect (betrokkenheid/relatie) met de omgeving. Bij introversie wordt eigenlijk uitgegaan van het ontbreken van zo’n affect. Iets vergelijkbaars werd gevonden voor neuroticiteit (‘zenuwachtigheid”, Aron en Aron, 1997): Er werd een significante overlap gevonden voor kenmerken die met interne processen te maken hebben, maar voor externe sensitiviteit niet. Hsp’s raken ook geprikkeld door prikkels als geluid e.d. die niets met mentale processen te maken hebben. Een andere indicator waarmee hsp is vergeleken, is verlegenheid (Aron, 1999). Hieruit bleek dat hoe slechter de jeugd, hoe verlegener. Als een hsp erin was geslaagd ondanks een moeilijke jeugd geen negatief zelfbeeld te ontwikkelen, dan was er echter geen sprake van verlegenheid. Waren er geen problemen, dan bleken hsp’s gemiddeld een betere, positievere band te hebben met hun ouders dan niet hsp’s (Aron, 2005).

Sensitieve persoonlijkheidstype
Gevoeligheid is ook een begrip buiten de wereld en van de psychologie, waar allerlei maten worden gebruikt die een gevoeligheid aangeven. Vaak wordt er gesproken van verschillende persoonlijkheidstypen. Er zijn verschillende classificaties, vooral populair bij assesments ed. Bekend is bijvoorbeeld het enneagram en Myer-Briggs indicator. Deze classificaties gaan uit van gedrag. In de zg PTypes classificatie, komt ook het sensitieve persoonlijkheidstype voor. De eigenschappen daarvan zijn: voorkeur voor het bekende, belangrijk vinden hoe anderen over hen denken, eerst denken dan doen, beheersd en beleefd, kiezend de voor sociale rol in gezelschap, gesloten. Dit plaatje komt grotendeels overeen met de eigenschappen van een hsp*, maar gaat eigenlijk alleen over sociaal-emotionele gevoeligheid. En dat is iets dat zich gedurende het leven ontwikkelt. Een hsp is echter al bij de geboorte gevoelig. Niettemin is er een grote overlap tussen deze definities.

Neurowetenschappelijke bevindingen
In de ogen van sommigen, is hoog sensitiviteit pas echt bewezen als er fysiologische verschillen gevonden worden. Inmiddels is er door verschillende mensen daadwerkelijk aangetoond dat respons op prikkels bij hsp’s anders is. In deze tak van sport heeft men het vaak over sps, sensory processing sensitivity. Met MRI scans werd aangetoond dat hsp’s een verhoogde activatie hebben in verschillende hersengebieden als zij een opdracht uitvoeren (Hedden ea, 2008). Dit verschil blijft ook overeind als de mogelijke invloed van psychische stoornissen, die vaker zouden voorkomen bij hsp’s, werd uitgesloten. In 2007 vonden Ernser-Hersfield ea verschillen in de dichtheid van de grijze hersenmassa tussen hsp’s en niet hsp’s. Hoewel het nog maar om kleinschalige onderzoeken gaat, zijn de verschillen overduidelijk en statistisch significant en er zullen de komende jaren waarschijnlijk meer van dit soort onderzoeken volgen.

Klinisch onderzoek
Er is ook onderzoek gedaan naar de relatie tussen hsp en vaak voorkomende psychische stoornissen. Mensen met dwangstoornissen, scoren hoger op de hsp schaal (Meyer en Carver, 2000). In 2002 vonden Neal ea dat sensitiviteit correleert met angsten, maar niet met depressiviteit. Liss ea vonden in 2005 dat er alleen een relatie tussen hsp en depressiviteit is bij mensen die slecht door hun ouders waren verzorgd, mn. samenhangend met angst. In 2005 toonden Meyer ea aan dat sensitiviteit niet de belangrijkste factor is bij personen met vermijdende en borderline persoonlijkheidsstoornissen. In 2006 (Benham) bleek dat studenten met een hoge score op de hsp schaal correleerde met zelf waargenomen stress en fysieke symptomen.

Hsp’s en psychotherapie
In de hele populatie is c.a. 20% hoog sensitief. Onder mensen die psychotherapie krijgen, is dat percentage tot wel 50%. Waarschijnlijk ligt daar de oorzaak van het hardnekkige misverstand dat sensitiviteit een stoornis is. Het blijkt zo te zijn dat vooral hsp’s met een moeilijke jeugd vaker therapie ondergaan op latere leeftijd dan niet-hsp’s met een moeilijke jeugd (Aron ea, 2005; Liss ea, 2005). Zij hebben blijkbaar meer last van negatieve invloeden uit hun jeugd, hebben een grotere kwetsbaarheid daarin. Hsp’s met een goede jeugd komen niet meer dan niet-hsp’s bij een therapeut.

In 2010 schreef Elain Aron het boek “Psychotherapy and the highly sensitive person” (Ned: Hoog sensitieve personen & Psychotherapie) waarin, naast een uitvoerige wetenschappelijke onderbouwing met een uitgebreide literatuurlijst, ook specifiek wordt ingegaan op de vraag hoe (psycho)therapeuten meer kunnen bereiken bij hun sensitieve patiënten.

 

*hsp: Hoog Sensitief Persoon